Dit ontroerende gedicht is in 1939 geschreven door een joods meisje bij haar afscheid van Fredeshiem. Een groep van 39 uit Duitsland afkomstige joodse kinderen tussen de 14 en 18 jaar verbleven tussen maart en december 1939 in het doopsgezinde broederschapshuis.
Dankzij de heer Hoekema uit Haarlem weten we dat het gedicht
is geschreven door Ursula Pintus. Ursula ging samen met haar broer
Werner bij het uitbreken van de oorlog terug naar Berlijn. Ze
overleefde de oorlog, maar moest wel de wreedheden van het
Russische leger ervaren toen dat de stad Berlijn innam. Later is ze
teruggekeerd naar Nederland.
De ouders van de kinderen waren of al overleden of in
Duitsland achtergebleven. De kinderen maakten deel uit van de
stroom joodse vluchtelingen die, nadat Hitler in 1933 aan de macht
was
gekomen, Duitsland ontvluchtten. In het gastenboek van
Fredeshiem staan de namen van deze kinderen. Klik op de afbeelding
hiernaast voor een groter formaat.
Van slechts een paar kinderen is bekend wat daarna met ze is
gebeurd. Van een aantal weten we dat ze door emigratie of door
onder te duiken de oorlog hebben weten te overleven. Enkele
kinderen zijn uiteindelijk weer naar hun ouders in Duitsland
teruggegaan.

Het gedicht heeft nog jaren in het kerkje bij Fredeshiem
gehangen en is nu opgenomen in het archief van Fredeshiem.